Hoe
zeldzaam zijn onze clubrassen
Het
model van de kuif bij kuifhoenders
Wit-zwartkuif Hollandse Kuifhoenders
Verzorging van kuif- en baardkuifhoenders
Bij het zien van kuif- of
baardkuifhoenders in een tentoonstellingskooi, wordt vaak de vraag
gesteld of deze dieren met hun fraaie kuiven altijd apart in een kooi
blijven zitten. Deze gedachte is natuurlijk geheel onjuist. Een kuifhoen
wordt net als alle andere kippen, gewoon met meerdere in een kippenhok
gehouden.
De kuif- en
baardkuifhoenders zijn bijzonder geschikt om als sporthoen te worden
gehouden. De fraaie kuiven die ze meedragen, hoeven echt geen
belemmering te zijn. De witte kuifveren van de Hollandse witkuiven zijn
minder stug dan die van de baardkuifhoenders. Deze kuiven zijn wat
vaster en steviger en worden daardoor niet zo gauw vuil. Men moet wel
zorgen, dat het hok goed droog en luchtig is, dit geldt ook voor de
bodembedekking. Wel kunnen we ze, en vooral de baardkuiven in een open
ren of in de tuin laten lopen. Dit doet geen kwaad voor de kuiven. Ook
strenge koude verdragen ze even goed als alle andere hoenderrassen.
Doordat geen kammen en bij de baardkuifhoenders ook geen lellen aanwezig
zijn, kunnen deze niet bevriezen, wat bij hoenders nog wel eens voorkomt
(insmeren met vaseline.) Het geeft zelfs een fraaie aanblik om wat
kuifhoenders of b.v. gezoomde baardkuifhoenders in de tuin of op het erf
te zien rondscharrelen. Het voordeel van loslopende kippen is, dat de
bevruchting vaak heel goed is, ze weten daar groen en dierlijk voedsel
te vinden dat ze als aanvulling het meest nodig hebben. Voor grote
hoenders is het aan te bevelen vrij vroeg in het voorjaar te broeden,
voor krielen mag het wel iets later zijn.
Tijdens de fok, of liever
gezegd na het tentoonstellingsseizoen, knippen we wat veren rond de ogen
weg zodat de dieren goed kunnen zien en het zonlicht ook op de oogzenuw
kan schijnen en het netvlies kan treffen. Sommige fokkers knippen de
gehele kuif weg, wat natuurlijk wel goed is, maar niet zo'n fraaie
aanblik geeft, want we missen het mooie van het kuifhoen. Zoals we reeds
eerder vermeldden, zorgen we vooral voor een luchtig hok. Het meest aan
te bevelen is een z.g. open fronthok, met een mestplank en zitstok
achterin.
Kleine nachthokjes zien er
wel mooi uit, maar 's winters zijn ze vaak vochtig en 's zomers erg
warm, hierdoor ontstaat gemakkelijk luisvorming. Er bestaan meerdere
soorten luizen en mijten. Bij kuifhoenders is de kuif de plaats waar
luizen of ongedierte zich graag ophouden en voortplanten. Ook de
staartpartij en het onderdons zijn geliefde broedplaatsen. Regelmatig
dienen we dus de kuiven te controleren op aanwezigheid van z.g.
medebewoners. Er zijn meerdere bestrijdingsmiddelen in de handel en een
goede dierenspeciaalzaak zal zeker een juist middel aanbevelen. Ook kan
men de kuiven met een goede zeep wassen.
Wanneer we als
bodembedekking strooisel in het hok gebruiken, dan dienen we wel een bak
of ruimte vrij te houden voor een droge zandbak. De kippen hebben er
veel behoefte aan om regelmatig een stofbad te nemen. Ook droog zand b.v.
metselzand als bedekking, is heel goed. Het is ons bekend, dat
kuifhoenfokkers deze methode meer dan 50 jaar met succes toepassen.
Als waterbak gebruiken we
voor kuifhoenders die bakken, die bij het drinken weinig knoeien, waar
de kuiven dus niet in blijven hangen. Wanneer dit wel gebeurt, worden ze
nat, daarna gaan ze in de voerbak of in het strooisel pikken, met als
resultaat een vieze klonterige massa aan de kuifveren, hetgeen lastig
voor het dier is en een lelijk gezicht voor de bezoeker. Ook kan het tot
gevolg hebben, dat de ogen ontstoken raken: de kleine veertjes rondom de
ogen gaan met het vuil in de ogen zitten. Het beste advies is om de zgn.
fonteinbakjes te gebruiken (met een tuitje eraan), die van plastic of
zink gemaakt kunnen worden. Ze moeten goed schoongemaakt kunnen worden,
wat wel meer aandacht vraagt. Gewone plastic drinktorens voldoen ook
goed.
Hetgeen we over de
drinkbakken schrijven, geldt ook voor de voederbakken. Deze dienen zo te
zijn, dat voorkomen moet worden, dat de hele kuif er in hangt. We kennen
het voeder zowel in meel dan wel in korrelvorm. Korrelvoer is
gemakkelijker te voeren, het knoeit niet, maar het nadeel is, dat
sommige dieren snel en veel eten, zich dan vervelen en gaan verenpikken.
Een geliefde plaats is de kuif, en eenmaal gedaan, komt er nooit een eind. Het
is een zeer vervelende en slechte gewoonte.
Bij het nuttigen van
meelvoer hebben de dieren veel meer tijd nodig om voldoende te eten, ze pikken
bijna de hele dag. De kans op vuil worden van kuif of baard is wel
iets groter, echter bij de meeste valt het erg mee. Ook wat graan en
groenvoer is, net als bij alle kippen, aan te bevelen.
De kuif- en baardkuifhoenders
zijn vlijtige en erg prettige gezelschapskippen en wanneer men de
bovenstaande regels in acht neemt, zal het spoedig duidelijk worden waarom de kuif- en
baardkuifhoenders in staat zijn fokkers jaren aan zich te binden.
HOE
ZELDZAAM ZIJN ONZE CLUBRASSEN?
In
dit artikel wordt ingegaan op de situatie bij onze clubrassen.
Het eerste onderzoek is al medio 2001 gestart met
een enquête onder alle speciaalclubs van Nederlandse kleindierrassen; hoenders,
duiven, konijnen en watervogels. Het heeft enige tijd gekost, maar uiteindelijk
heeft bijna elke speciaalclub aan het onderzoek meegewerkt. Dat was ook
belangrijk, want de informatie is ook gebruikt door de Nederlandse overheid om
een databestand aan te leggen van alle rassen. Dat databestand wordt weer
gebruikt om beleid te maken aangaande onze zeldzame huisdierrassen. Ook de
kleine huisdierrassen – en de hobbyfokkers, zoals u – krijgen langzamerhand
de waardering die ze verdienen!
Bij het onderzoek werd gevraagd naar het aantal fokdieren per kleurslag; het
aantal vrouwelijke fokdieren, het aantal mannelijke fokdieren én het aantal
fokkers dat een bepaalde kleurslag fokt. Wat betreft NKBC konden wij
voortborduren op een eerdere enquête onder de leden in 2000. Ook geeft de
ledenlijst en ons inzicht in het ledenbestand een beeld van genoemde aantallen.
Vanzelfsprekend blijft altijd sprake van een schatting, maar ons inziens is
sprake van een realistische benadering. Onderstaande cijfers zijn gebaseerd op
de situatie in 2005.
De
situatie bij de grote hoenders
Deze situatie kan als volgt worden weergegeven.
Kuifhoenders
|
Kleurslag |
Totaal
aantal fokdieren |
Vrouwelijke
fokdieren |
Mannelijke
fokdieren |
Aantal
fokkers |
|
Zwart
witkuif |
52 |
40 |
12 |
5 |
|
Witte
witkuif |
25 |
20 |
5 |
3 |
|
Blauwe
witkuif |
8 |
5 |
3 |
2 |
|
Koekoek
witkuif |
14 |
10 |
4 |
2 |
|
Zwartbonte
witkuif |
14 |
10 |
4 |
2 |
|
Witte
zwartkuif |
47 |
40 |
7 |
2 |
|
Totaal |
160 |
125 |
35 |
10 |
Ook bestaan de kuifhoenders in krulveer. Daarmede is bij de telling geen aparte
rekening gehouden. De situatie bij de grote baardkuifhoenders kan op dezelfde
wijze worden weergegeven.
Baardkuifhoenders
|
Kleurslag |
Totaal
aantal fokdieren |
Vrouwelijke
fokdieren |
Mannelijke
fokdieren |
Aantal
fokkers |
|
Zwart
|
19 |
15 |
4 |
3 |
|
Wit
|
30 |
20 |
10 |
3 |
|
Blauw |
7 |
5 |
2 |
2 |
|
Koekoek
|
7 |
5 |
2 |
2 |
|
Zilverzwartgez. |
14 |
10 |
4 |
3 |
|
Goudzwartgez. |
14 |
10 |
4 |
3 |
|
Geelwitgezoomd |
14 |
10 |
4 |
3 |
|
Driekleurig
bont |
14 |
10 |
4 |
1 |
|
Totaal |
105 |
75 |
30 |
8 |
(Noot:
aangezien de driekleurig bonte nog niet erkend is, is deze kleurslag niet in de
totaaltelling opgenomen)
Deze cijfers bevestigen eens te meer dat de grote hoenders meer aandacht
behoeven, in het bijzonder de koekoek kleur, zowel bij de kuif- als
baardkuifhoenders. Ook de zwartbonte witkuiven verdienen meer aandacht. Vooral
de gezoomde variëteiten bij de baardkuifhoenders zijn zeer zeldzaam. De
driekleurig bonten zijn nog niet erkend, maar wel aanwezig in Nederland.
Uit een eerder onderzoek, waarbij is gekeken naar het aantal inzenders op tentoonstellingen, blijkt dat het aantal fokkers van onze grote rassen in ruim 20 jaar tijd is gehalveerd.
Hoenderras |
Showseizoen 1979 |
Showseizoen 1985 |
Enquete 2001 |
|
Hollands
Kuifhoen |
23
|
18
|
10
|
|
Baardkuifhoen |
15
|
14
|
8
|
De situatie bij de dwerghoenders is wat rooskleuriger dan bij de grote hoenders. Dat blijkt uit onderstaande tabellen.
|
Kleurslag |
Totaal
aantal fokdieren |
Vrouwelijke
fokdieren |
Mannelijke
fokdieren |
Aantal
fokkers |
|
Zwart
witkuif |
105 |
80 |
25 |
15 |
|
Witte
witkuif |
30 |
20 |
10 |
3 |
|
Blauwe
witkuif |
14 |
10 |
4 |
3 |
|
Koekoek
witkuif |
14 |
10 |
4 |
3 |
|
Zwartbonte
witkuif |
14 |
10 |
4 |
2 |
|
Witte
zwartkuif |
13 |
10 |
3 |
1 |
|
Buff
witkuif |
14 |
10 |
4 |
2 |
|
Totaal |
200 |
150 |
50 |
20 |
|
Kleurslag |
Totaal
aantal fokdieren |
Vrouwelijke
fokdieren |
Mannelijke
fokdieren |
Aantal
fokkers |
|
Zwart
|
20 |
15 |
5 |
3 |
|
Wit
|
14 |
10 |
4 |
3 |
|
Blauw |
14 |
10 |
4 |
2 |
|
Koekoek
|
13 |
10 |
3 |
2 |
|
Zilverzwartgez. |
21 |
15 |
6 |
5 |
|
Goudzwartgez. |
21 |
15 |
6 |
5 |
|
Geelwitgezoomd |
62 |
50 |
12 |
10 |
|
Totaal |
165 |
125 |
40 |
15 |
Belangrijk is dat we niet alleen liefhebbers weten te mobiliseren, maar ook
potentiële fokkers. Daarbij zullen we dan ook rekening moeten houden met
maatschappelijke ontwikkelingen, zoals kleinere behuizingen (en vooral tuinen),
toenemende vrije tijd en afnemende tolerantie met betrekking tot geluidsoverlast
e.d.. In dat opzicht zullen andersoortige faciliteiten moeten worden gecreëerd
waar mensen hun liefhebberij kunnen uitoefenen, zoals kleinveetuinen zoals we
deze in Duitsland aantreffen waardoor burenproblemen worden voorkomen. Voor de
promotie van de rassen zouden er fokkerscentra kunnen worden opgericht waar
systematisch met onze Nederlandse rassen wordt gefokt. Voor de promotie van de
rassen kan worden gedacht aan kinderboerderijen. Voor de instandhouding van de
rassen spelen deze een minder grote rol omdat de deskundigheid voor de fok op
tentoonstellingskenmerken daar vaak ontbreekt.
Als bestuur en leden van de NKBC kunnen we meer belangstelling voor onze
clubrassen wekken door positieve reclame, vooral buiten de bekende fokkersbladen
om. Te denken valt aan een promotiebrief naar alle erkende kinderboerderijen,
acte de présence op jaarmarkten en artikelen in zogenoemde lifestyle bladen als
Landleven en Seasons. Als daar positief op gereageerd wordt moeten we wel aan de
vraag kunnen voldoen!
Ook uw suggesties zijn meer dan welkom! Het bestuur ontvangt ze graag.
Luuk Hans
Onderstaand stuk is een vertaling van een artikel in het clubblad van de Australische kuifhoenderclub, getiteld "Cerebral Hernia", geschreven door Peter Jones.
Ikzelf heb ook elk jaar wel enkele kuikens die de onderstaande symptomen ("draainekken") vertonen en dan met hun kop over de grond kruipen. Meestal zet ik de kuikens dan één of twee dagen apart. Als ze dan niet uit zichzelf herstellen help ik ze uit hun lijden. Herstel op eigen kracht komt voor, hoewel ik niet over de lange termijn effecten kan oordelen .De NKBC is geïnteresseerd in uw ervaringen met deze kwaal en uw oplossingen. Graag uw reacties naar info@kuifhoenderclub.nl
Hoenderfokkers hebben nog
wel eens melding gemaakt van situaties die typisch zijn voor hoenders
met kuiven. Het begin van de situatie wordt beschreven als het schudden
of draaien van de kop, dat kan uitmonden in een situatie waarbij het
dier de kop extreem draait. In enkele gevallen verliest de kip zijn
evenwicht en zelfs volledige mobiliteit. Dit wordt gewoonlijk
hersenbreuk (cerebral hernia) genoemd. Het Victoriaanse Instituut voor
Dierwetenschappen in Australië heeft jarenlang onderzoek verricht op
dode kuifhoenders en zijdehoenders en heeft het bestaan bevestigd van
een afwijking die verband houdt met het gen dat verantwoordelijk is voor
de dominantie van de kuif(knobbel). De schedel van de kuifhoenders is
uniek. In tegenstelling tot andere hoenders is het koepelvormig en bij
zeer zwaar gekuifde hoenders is de schedel onderontwikkeld. Net als de
fontanel van baby's heeft de schedel van kuifhoenders openingen. Normaal
gesproken zullen deze dichtgroeien. Echter, dit gebeurt niet altijd en
het gevolg daarvan is dat de hersenen kwetsbaar zijn en blijven voor
externe omstandigheden.
Sommige foklijnen zijn kwetsbaarder dan andere. Ook komt het minder voor
bij oude dieren die de tijd hebben gekregen om de schedel aaneen te
laten groeien. Veelal komt het voor bij jonge dieren tussen 1 en 4
maanden oud.
Symptomen en mogelijke oorzaken
Er zijn verschillende
oorzaken en omstandigheden die de onderstaande symptomen kunnen
vertonen.
Hersentrauma of
hersenbeschadiging kan
feitelijk kuikens van elk ras overkomen. Dit kan bijvoorbeeld het gevolg
zijn van pikken in de kop. Bij kuifhoenders hebben dergelijke situaties
meer gevolgen. De druk op de hersenen kan leiden tot een
"breuk", opzwellen of doorsijpelen van de hersenen in de
schedel.
Hersenoedeem of -gezwel
is een interne reactie en kan op tenminste twee manieren plaatsvinden.
In de eerste plaats als een reactie op warm weer en veranderingen, een
overvloed aan vocht bouwt zich op in de hersenpan, hetgeen leidt tot
teveel druk op die delen van de hersenen die verantwoordelijk zijn voor
de bewegingen van de kip. Het kuifhoen wordt duizelig en verliest zijn
gevoel voor evenwicht. Indien het dier niet behandeld wordt kan dit tot
blijvend hersenletsel leiden. Soms herstellen dieren van zo’n situatie
en leven redelijk normaal verder met een kleine "tik" in de
kop (schudden van de kop). In de tweede plaats kunnen deze symptomen
zich voordoen met ademhalingsmoeilijkheden. Het afweersysteem
(immuunsysteem) van de kip reageert dan op een aanval van bacteriën of
een virus door het aanmaken van vocht in de hersenen met dezelfde
gevolgen als boven beschreven.
Behandeling
Voorkomen
is beter dan genezen. Door een goede huisvesting en goede verzorging (en
vaccinatie) kan worden voorkomen dat bacteriën en virussen hun kans
krijgen, met bovengenoemde gevolgen als resultaat. Ook kan bij het
fokken door selectie hersenbreuk worden beperkt. Goede klimaatbeheersing
bij extreme weersomstandigheden kan tot op zekere hoogte preventief
werken. Ook kan worden voorkomen dat de kuifhoenders hun koppen bezeren
aan scherpe voorwerpen in het hok, bijvoorbeeld, zitstokken, voerbakken
en dergelijke.
Genezing
is niet gegarandeerd. In Australië heeft een dierenarts positieve
resultaten bereikt met inentingen met cortisonen. In dit geval nam de
zwelling in de schedel af en herstelde de kip.
Australische fokkers hebben ervaren dat het toedienen van een
antibiotica middel goede resultaten kan geven.
Het probleem is dat men zonder een onderzoek naar de doodsoorzaak, dus
achteraf, geen symptomen kan vinden. Hoe langer een kuifhoen onbehandeld
blijft hoe moeilijker het zal zijn om herstel te bewerkstelligen.
Gelukkig komt het probleem niet te vaak voor.
Door het fokken van redelijk grote aantallen, het fokken in lijnenteelt
en niet te veel toepassing van inteelt, alsmede het bieden van goede
huisvesting en verzorging kan dit probleem in belangrijke mate worden
voorkomen. Elk hoenderras heeft zijn moeilijkheden. Bij kuifhoenders is
dit er één van.
(vertaald door) Luuk Hans.
HET MODEL VAN DE KUIF BIJ ONZE KUIFHOENDERS
Door het aanwezig zijn van een grote kuif kan het zicht
van de kuifhoenders belemmerd worden, hetgeen wij uiteraard niet wensen.
In de afgelopen decennia werden door de fokkers de kuiven sluipenderwijs
steeds groter gefokt, daarbij aangemoedigd door de predikaten die men
daarvoor kreeg tijdens tentoonstellingen. Ook werden de kuiven losser
van structuur, hetgeen de kuif en de zichtvrijheid niet ten goede
kwamen.
Bij sommige dieren was het maximale inmiddels gepasseerd
en dus moesten er duidelijke afspraken komen over wat wel en wat niet
toelaatbaar is. De fokkers van de Nederlandse kuifhoender rassen zelf
waren de eersten die beseffen dat nadere afspraken nodig waren. Immers,
zij zijn terecht trots op onze eeuwenoude Nederlandse cultuurrassen en
wensen deze mooie kuifhoenders en baardkuifhoenders een goed en gezond
bestaan, rekening houdend met hun kuiven en baarden.
De Nederlandse Kuif- en Baardkuifhoenderclub (NKBC)
heeft de afgelopen jaren de regels aangaande een aantal aspecten wat
betreft kuif en zichtvrijheid van haar clubrassen aangescherpt, hetgeen
ook in de rasbeschrijving van de Nederlandse Hoender en Dwerghoender
bond (NHDB) is overgenomen.
Drie zaken zijn daarbij van belang:
De grootte en vorm van de kuif
Over de grootte van de kuif is vastgesteld dat deze nog
altijd groot, vol en dichtbevederd moet zijn, maar wel in goede
verhouding tot het lichaam, waarbij vooropgesteld dient te worden dat
het zicht niet mag worden belemmerd. Daarmee wordt bedoeld dat de dieren
vrij kunnen kijken naar opzij en naar voren. (Dit moeten we op ooghoogte
bekijken.) Op zich niets nieuws, want ze zijn altijd al zodanig getekend
en beschreven, maar er is wellicht iets minder streng op gefokt de
voorbije jaren, terwijl ook bij het keuren daaraan onvoldoende kritische
aandacht is besteed. Om één en ander te verduidelijken heb ik een
aantal schetsen gemaakt. In tekeningen 1 t/m 4 zien we de ideale
kuifvorm bij resp. de hen en haan van de Hollandse Kuifhoenders, en de
hen en de haan van de Nederlandse Baardkuifhoenders. In de figuur is ook
de skeletvorm van de schedel getekend. Er moet op gefokt worden dat de
kuifknobbel aan bepaalde voorwaarden voldoet. Deze zijn:
de kuifknobbel moet hoogrond (kokervormig) zijn, waarbij
de onder en bovenzijde even breed zijn (zie fig. 1 t/m 4 )

fig.
1
fig.
2
fig.
3
fig. 4
Kuifhoenders waarvan de kuifknobbel aan de basis smaller
is dienen niet in de foktoom te worden opgenomen het is zeer aannemelijk
dat de stelling "hoe hoger de kuifknobbel, hoe beter het
zicht" opgaat. Bij een lage knobbel zakt de kuif over de ogen heen
en belemmert het zicht (fig. 5).
In die gevallen ontstaan ook vaak ontstoken oogleden.
Alle fokkers van kuifhoenders wordt aangeraden streng te
selecteren op de plaatsing van de kuif en vooral dieren met een hoog
geplaatste knobbel op te nemen in de foktoom. Daarnaast is een stevige
vaste bevedering in de kuif een essentieel onderdeel waarop goed gelet
moet worden.In fig. 6 is een ideaal vooraanzicht geschetst. De
ogen hebben vrij zicht en de kuif is andermaal ingeplant op een hoge
koker vormige schedelknobbel. We zien nogal eens dieren die een erg
grote kuif hebben, maar die dat bij nader inzien te danken hebben aan
een kuifknobbel die erg breed is. Van voren gezien blijkt dat deze
knobbel over de schedel heen groeit. Zie( fig. 7.) Hij zakt als het ware
uit. Dit soort kuiven zijn erg goed te herkennen bij een keuring. Door
de kuif boven de ogen op te lichten zal men zien dat bij dergelijke
dieren "zweet" tussen de huidplooi zit en soms is er al een
gelig soort huidsmeer ontstaan dat stinkt. In dat laatste geval is
feitelijk sprake van ontstoken oogleden en behoren de hoenders tijdens
tentoonstellingen van de keurmeester een "DIS" te krijgen. De
kuifknobbel is tijdens het keuren moeilijk te beoordelen. Hier zal men
enige ervaring in moeten krijgen.
Voor de fokkers is dat iets anders, want in de
kuikenfase is de kuifknobbel goed te beoordelen en extremen kunnen dan
al worden geconstateerd. Noteer bijvoorbeeld welke dieren een mooie hoge
knobbel hebben en neem deze in het daarop volgende jaar op in de foktoom.
(Het is hierbij verstandig om de kuikens een merkteken mee te geven,
zoals b.v. een ringetje )

fig.
5
fig.
6
fig. 7
Niet meer wegknippen van het gekleurde vederbosje voor de kuif
De kuifvorm bij de Hollandse kuifhoenders wordt ook
beïnvloed door het gekleurde vederbosje dat zich voor de kuif bevindt.
In onze NHDB-standaard stond tot voor kort dat het "gekleurde
vederbosje mag worden weggeknipt". Dit was altijd een
vanzelfsprekendheid. Elke fokker deed dit; dus het hoorde zo.
Echter de laatste jaren gingen er binnen de N.K.B.C.
steeds meer stemmen op dat het voor het zicht van de dieren beter zou
zijn om dit vederbosje niet geheel weg te knippen. De voorste kuifveren
hebben namelijk een andere groeirichting en zorgen voor steun aan de
kuif. We noemen ze daarom ook wel steunveren van de kuif. Hetzelfde
geldt voor de gekleurde veren boven de ogen. Door deze nu weg te knippen
is de steun weg en zakt de kuif uit en hangt deze naar voren en opzij.
Daardoor wordt het zicht nadelig beïnvloed. Het opvallende is dat in
bijvoorbeeld Duitsland en Engeland het wegknippen nooit de gewoonte is
geweest. De enige reden waarom Nederlanders dat wel deden was dat de
kuif ogenschijnlijk geheel wit leek. De N.K.B.C. had al in 1996 besloten
dat men liever zag, dat het vederbosje zou blijven staan, hetgeen de
afgelopen jaren ook al door fokkers in praktijk wordt gebracht.
Het conditioneren van de kuif
Ook als er sprake is van een mooie volle kuif , die het
dier een goed zicht biedt kan het nodig zijn om de kuif (en baard)
enigszins te conditioneren. Er is echter nog wel eens verwarring over
hoe de kuif nu te conditioneren, want zo uit het hok, dan hebben de
meeste dieren nog veel gekleurde veren hoger op in de kuif. ( zie
fig. 8)
Bij het conditioneren van de kuif werken we van achteren
naar voren. De enkele zwarte veren in het witte gedeelte van de kuif
worden afgeknipt vlak bij de hoofdhuid. (Dit gaat het handigst met een
nagelschaartje) Als zo de her en der verspreid staande veren zijn
verwijderd moeten we nog wat veren voorin de kuif op dezelfde manier
wegknippen - behalve de voorste veren! - zodat een bescheiden gekleurd
vederbosje voor in de kuif ontstaat. Werk ook hierbij van achter naar
voren. Het aanzicht zal derhalve zo zijn dat we geen half afgeknipte
veren zien. De veren die er namelijk voor blijven staan maken de
weggeknipte veertjes onzichtbaar. Dit geldt overigens ook voor de
gekleurde veren aan de zijkanten boven de oogleden.
Wat we dus graag willen zien is een gekleurd vederbosje
dat er enigszins gerond uitziet. In (fig.9) is het ideaalbeeld
geschetst. Overigens zal in de praktijk nog wel eens sprake zijn van
ronding met een deukje in het midden, lijkend op een vlinder (zie fig.
10).

fig.
8
fig.
9
fig. 10
De verwachting is, (nu het vederbosje blijft staan) dat
de fokkers daar in de komende jaren ook op zullen fokken. Met andere
woorden, dat het gekleurde vederbosje steeds kleiner wordt en er steeds
minder geconditioneerd behoeft te worden. De NHDB-standaard is ook op
dat onderdeel aangepast, zodanig dat niet meer sprake is van wegknippen,
maar van (terughoudend) conditioneren op de hierboven beschreven wijze.
Fokken van (baard-)kuifhoenders met goede vaste kuiven
en goed zicht is bovenal van belang voor het welzijn van deze rassen,
maar zal ook voor de fokkers minder zorgen met zich meebrengen.
In de NHDB-standaard is een sterk belemmerd zicht bij de
ernstige fouten onder gebracht, hetgeen betekent dat dergelijke dieren
niet voor hoge predikaten in aanmerking kunnen komen tijdens
tentoonstellingen.
Daarmee is een duidelijke grens gesteld. Lastiger is het
in andere gevallen om het zicht te beoordelen en goed onder woorden te
brengen op de beoordelingskaart. We gaan er van uit dat bovenstaande
zowel voor de fokkers als keurmeesters verhelderend zal zijn en eenieder
deze aandachtspunten op dezelfde wijze uitlegt.
Tot slot
Dan kan ook een gezonde basis worden gelegd voor een verdere groei van deze mooie Nederlandse hoenderrassen. Want één ding is duidelijk; de Nederlandse kuifhoenders en baardkuifhoenders verdienen veel meer positieve aandacht. Wij mogen met recht trots zijn op deze eeuwenoude Nederlandse cultuurrassen en de fokkers daarvan!
Bron: Uitgaven van N.K.B.C. Kijk Op Zicht. Tekeningen H. Timmer
Wit-zwartkuif Hollandse Kuifhoenders
Het tweede ras dat in 1900 op
de lijst van Nederlandse hoenderrassen werd opgenomen was de Hollandse Witkuif.
Opvallend is de beperking in de naamgeving tot dieren met een witte kuif. Dieren
met een kuifkleur gelijk aan de lichaamskleur, met uitzondering van de witte
witkuiven, en de wit-zwartkuiven kwamen in het verhaal niet voor. Dit ondanks
het feit dat deze laatste kleurslag reeds in de middeleeuwen in ons land
voorkwam.
De wit-zwartkuiven zijn jarenlang omgeven geweest door een waas van
geheimzinnigheid en nog is vermoedelijk lang niet alles helder.
In dit verhaal wil ik proberen
enig licht te scheppen in de achtergrond en de fok van deze kleurslag.
Zo gauw je met de beschrijving van deze kleurslag begint, heb je de neiging een
verhaal uit het begin van de vorige eeuw, dat door Van Gink is overgenomen van
Dewald, zie pagina 290, noot 7, van het proefschrift van Bart Momberg “Houden
van Kippen”, weer te geven. Het
verhaal is heel mooi, maar of het waar is?
“Omstreeks het jaar 1475 woonde er in Kennemerland een kluizenaar Peter
Jaspersz geheten, die er een groot aantal witte hoenders op na hield met zwarte
kuiven. Deze dieren legden veel grote smakelijke eieren, waren gehard tegen ons
klimaat en leverden, wat in die dagen van veel belang was, een smakelijk en mals
gebraad. Volgens de verhalen zijn deze dieren door een Spaanse edelman opgekocht
en meegenomen naar Spanje. Van daaruit zouden ze onder de naam Sint Jacobshoen
weer teruggekeerd zijn naar Nederland. De dieren zouden hierbij als gift aan de
Nederlandse adel zijn gegeven.” Heel bijzonder: van kluizenaarskip naar kip
van de adel.
Kenmerken van het ras
Het type van het Hollands
Kuifhoen is het type dat men aantreft bij een landhoen. Het onderscheid met
het landhoen wordt gevormd door de kuif waaraan het ras zijn naam ontleent. Deze
kuif is op de kop geplaatst en vindt zijn basis in de knobbel op de kop van het
kuifhoen, welke bij de kuikens al duidelijk zichtbaar is. Volgens de
voorschriften behoort deze kuif groot
en rond te zijn en recht op de kop te zijn geplaatst. Wat de grootte van de kuif
betreft: dit kan men wel realiseren bij de witkuiven, bij de wit zwartkuiven
valt dit in de categorie vrijwel of volledig onmogelijk. Een grote zwarte kuif
kan niet bestaan omdat dit te veel van de pigmentconcentratie aan het eind van
het lichaam vraagt. Hierop wil ik verder in dit verhaal nader ingaan.
Geschiedenis van het ras
Juist door de afwijking van de gangbare hoenderrassen vormden deze kuifhoenders
iets exclusiefs, dat zo ver ging dat dieren met deze verschijningsvorm door de
vorst cadeau gedaan zijn aan belangrijke onderdanen en via deze weg over een
groter gebied zijn verspreid.
De wit zwartkuif treft men reeds op
zeventiende eeuwse schilderijen van
Jan Steen en Albert Cuyp aan. Deze schilders beeldden dieren van deze kleurslag
af en dieren waaruit men ze zou
kunnen fokken.
In de loop van de tijd zijn de wit zwartkuiven volledig van het toneel
verdwenen. Reeds in 1850 blijkt de situatie voor deze kleurslag kritiek. In een
boek uit 1856 van W.C.L. Martin, herschreven door mrs. W. Watts, wordt vermeld
dat omstreeks 1835 nog enkele dieren van deze kleurslag in Engeland zijn gezien.
Verder is in 1843 een hen in Duitsland en in 1845 een hen van deze kleurslag in
Frankrijk waargenomen. Een aantal jaren na de verschijning van dit boek meldt
Darwin dat de wit-zwartkuif, die hij als ondersoort van de kuifhoenders
aanduidde, was uitgestorven. Dit betekende het einde van een kleurslag, die
eeuwenlang in Nederland en vermoedelijk geheel West-Europa aanwezig is geweest.
Terugkeer van de wit
zwartkuif
Ondanks het uitsterven van de kleurslag in de negentiende eeuw mag men, gezien
het aantal jaren dat deze heeft bestaan, aannemen dat het fokken er van mogelijk
was. Alleen blijft natuurlijk de vraag welke eisen men toen aan de kleur stelde.
Nederlandse fokkers zien in het verdwijnen van een ras of kleurslag een
uitdaging om het weer terug te fokken. In alfabetische volgorde hebben de
volgende fokkers zich met het terugfokken beziggehouden: A. Hogendijk, R.
Houwink, Jac. van Omme en dr. I. Vriesendorp. Van dit viertal slaagden slechts
twee fokkers in hun poging namelijk Van Omme en Vriesendorp.
De pogingen van Jac. van Omme zijn beschreven in een artikel in Avicultura van
1943. Evenals bij degenen die geen succes hadden startte hij rond 1910 met
zwarte witkuiven met veel zwart in de kuif, witte witkuiven en Houdans. Dit
leidde echter niet tot het gewenste resultaat. Eerst de inzet van Lakenvelders
en een zilverzwartgeloverde Nederlandse Uilebaard met heel weinig tekening en
een zwarte baard leverde begin veertiger jaren het gewenste resultaat. Helaas is
deze lijn na het overlijden van de fokker verdwenen.
Tot slot de benadering van
dr. I. Vriesendorp.
Zijn aanpak is weergegeven in het door hem geschreven boek "Erfelijkheid en
Geneeskunde". Ook hij startte rond 1910. Waar anderen jaren nodig hadden
slaagde hij in enkele jaren. Hij koos voor twee invalshoeken. de ene bestond uit
Nederlandse Baardkuifhoenders met veel zwarte kleurstof. Door gericht te fokken
werd er naar gestreefd het zwart in de kuiven te vermeerderen en vast te houden.
Voor de ontkleuring van het lichaam werd gebruik gemaakt van een combinatie
Lakenvelders en zwarthalzige Andalusiërs. Deze rassen werden onderling gekruist
Hieruit ontstond een mengeling aan kleuren waaronder zwarthalzige met
lichtgekleurde en zelfs ontkleurde lichamen. Deze dieren werden weer gepaard aan
de op kuifkleur geselecteerde Nederlandse Baardkuifhoenders. Blijft natuurlijk
de vraag waar deze zwarthalzige Andalusiërs vandaan kwamen of waren dit in de
hals zeer zwaar gezoomde blauwe Andalusiërs, die hierdoor een vrijwel zwarte
hals hadden.
Uit deze combinatie is het dr. Vriesendorp gelukt, door het fokken op
ontkleuring van het lichaam en pigmentvermeerdering in de kuif, na enkele
generaties wit zwartkuiven te fokken.
Door enerzijds een controverse tussen dr. Vriesendorp en een aantal bekende
fokkers uit die tijd maar vooral tijdgebrek van deze fokker kreeg deze eerste
succesvolle poging van hem weinig aandacht. Na de Tweede Wereldoorlog is hij
opnieuw gestart en de thans nog aanwezige dieren hebben hun basis in de toen
gefokte dieren. Een uitgebreide collectie dieren was door dr. Vriesendorp als
demonstratiemateriaal ingezonden tijdens de clubshow van de NHC te Utrecht ter
gelegenheid van het zestigjarige bestaan van de club.
Het waren wit- en goud-zwartkuiven met een goede kuifkleur en behoorlijke
kuifvorm.
Het standaardideaal en
voorkomende fokproblemen
Alhoewel de Nederlandse pluimveestandaard niet meer de strenge eisen hanteert
ten aanzien van de scheiding wit zwart en enig zwart in bovenhals is toegestaan
blijft het voor de fokkers moeilijk het zwart en wit op de juist plaats te
houden. Voor je het weet zit er wit in de kuif of zwart op het lichaam.
Gelukkig is ondertussen ook de donskleur aangepast. Werd deze in het verleden
wit gewenst, thans is deze in onze standaard
licht blauwgrijze donskleur, evenals bij de Lakenvelder, voorgeschreven.
Bij de beoordeling van een vertegenwoordiger van deze kleurslag zal steeds de
afweging moeten worden gemaakt: Wat is erger enige zwarte kleurspatten op het
lichaam of wit in de kuif. Vanuit foktechnisch oogpunt verdient de eerste
afwijking van de standaard de voorkeur aangezien dit wijst op voldoende zwart
pigment, dat nodig is voor de goede kuifkleur. Wit in de kuif wijst op het einde
van het verhaal.
Opvallend is dat in onze standaardbeschrijving maar ook op de afbeeldingen geen
onderscheid wordt gemaakt in kuifgrootte bij
de witkuiven en de wit zwartkuiven. Dit is echter een eis waaraan tot op heden
niet en vermoedelijk nooit kan worden voldaan. Wat is er namelijk aan de hand.
Bij de wit zwartkuif wordt een concentratie van zwart pigment gevraagd in de
kuif, met andere woorden aan het uiteinde van het lichaam en dan ook nog
geconcentreerd op een kuifknobbel. Hoe groter de kuifknobbel, hoe meer pigment
moet worden aangevoerd. Deze aanvoermogelijkheid bepaalt de omvang van de kuif,
die we intensief zwart van kleur wensen. Om deze reden mag men bij de wit
zwartkuif nimmer een kuif verwachten van de omvang, zoals men die kan aantreffen
bij de zwart witkuif. Bij deze kleurslag behoeft immers geen pigment te worden
aangevoerd. Een goed gevormde zwarte kuif van niet te grote omvang zal bij de
wit zwartkuif het ideaalbeeld blijven bepalen.
Het geheel overziende kan men stellen, dat de wit zwartkuif foktechnisch een
donker dier is. Het beste wat men kan bereiken is een dier, dat zich als wit
presenteert, maar de aanwezigheid van zwart pigment laat zien in dons en kuif.
Bij oude dieren maar ook bij jonge dieren met een gitzwarte kuif treft men vaak
zwarte tekening in de witte velden, met name op de rug, aan, dat wil zeggen
doorslaan van de donskleur.
Ten aanzien van de fok van deze kleurslag wil ik nog een paar opmerkingen maken.
Gebruik geen dieren met een blauwe kuif. Fokken met dergelijke dieren levert
alleen maar teleurstellingen op. Het pigmentverlies bij dergelijke dieren is te
groot. Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor wit witkuiven die uit de wit
zwartkuiven vallen. Opvallend is echter dat fokkers van witte Uilebaarden, die
werken met afstammelingen van moorkop Uilebaarden, soms toch weer moorkoppen te
voorschijn zien komen. Het is echter niet uitgesloten dat onder de
oorspronkelijk witte Nederlandse Uilebaarden fokonzuivere witte dieren aanwezig
zijn, waarbij een zilver- of zwartfactor verstopt zit.
Sinds 2003 zijn ook de wit zwartkuif krielen erkend. Deze zijn
gefokt door de secretaris van de Nederlandse Kuif- en Baardkuifhoender Club,
Luuk Hans. Hij is begonnen met een klein gebleven grote wit zwartkuif, welke hij
heeft gekruist met zwarte en blauwe Nederlandse Baardkuifhoen krielen. Door
selectie is hij na een aantal jaren er in geslaagd krielen in deze kleurslag in
de kooi te brengen, die de toets der kritiek konden doorstaan. Bij deze krielen
loopt men bij de fok tegen dezelfde problemen aan als bij de grote wit
zwartkuiven. Alleen vragen ze minder plaatsruimte.
Nabeschouwing
Momenteel zijn zowel grote als dwerg wit zwartkuiven in ons land en ook in
Duitsland aanwezig. Voor degenen die met dit ras willen starten is er
vermoedelijk wel aan fokmateriaal te komen. Alleen moet men zich realiseren dat
het geen eenvoudige kleurslag is. Dit houdt in dat u jaarlijks veel jonge dieren
moet fokken om voor de show geschikte dieren te kunnen presenteren. Dit is
vermoedelijk ook de reden geweest dat veel fokkers van deze kleurslag zijn
afgehaakt. De vraag is nu: Wie durft de uitdaging aan en wil met de wit
zwartkuiven beginnen? Gezien de historie en het kleurpatroon is het ras de
uitdaging waard. Wie er mee begint en succes boekt heeft een unieke kip in het
hok.
Ad Boks, 23 juli 2003
In 2002 heeft prof.dr. G. Rehkämper
tijdens de jaarvergadering van de Nederlandse Kuif- en Baardkuifhoenderclub een
presentatie gehouden over het wetenschappelijke hoenderpark,dat onlangs in
Duitsland was opgericht en verteld dat kuifhoenders grotere hersenen hebben dan
andere hoenders.
Daarover is een artikel in het Engels verschenen: Discontinuous Variability of
Brain Composition among Domestic Chicken Breeds. Een artikel met een zeer hoog
wetenschappelijk gehalte, maar in onderstaand stuk zal ik daar een korte
samenvatting van geven.
Het hersenonderzoek vond plaats met Chabokrielen, Cochinkrielen, Zijdehoenders,
Araucana’s, Maleiers, Leghorns, zwarte Witkuiven en Kraaikoppen. Van elk ras
werden zo’n 10 kippen voor het onderzoek gebruikt. Het onderzoek vond plaats
met de hersenen omdat deze voor een zeer belangrijk deel het gedrag bepalen.
Kort en goed, er is een zogenoemd clusteronderzoek gedaan, waarbij ook rekening
werd gehouden met de grootte en het gewicht van de hoenders.
Uit eerdere onderzoeken blijkt ook dat de hersenen van kuifhoenders groter zijn,
vooral die onderdelen die cognitieve mogelijkheden hebben. Anders gezegd, die
hersenonderdelen die tot leren in staat zijn.
Of dat echt zo is is nog niet aangetoond. In eerdere onderzoeken werd het gedrag
van kuifhoenders bijzonder genoemd. Zonder dat daarbij werd aangegeven wat
daarmee werd bedoeld. In een onderzoek uit 1975 werd geschreven dat kuifhoenders
slecht reageerden, slecht leerden en zenuwachtig en paniekerig waren. Dit werd
weersproken in een eerder onderzoek (in 1959); nadat de onderzoeker de kuif had
afgeknipt reageerden ze normaal en waren ze volgens de onderzoeker levendig en
vol mentale energie.
Naar Kraaikoppen is nooit uitgebreider onderzoek gedaan, maar duidelijk is dat
ze tot dezelfde familie behoren als kuifhoenders.
Voor ons is het al veel langer duidelijk dat we te maken hebben met bijzondere
rassen. Slim of dom, bijzonder zijn ze!
![]() |
Informatieboek Nederlandse Kuif- en Baardkuifhoenders.
Indien u meer wilt weten over de kuif- en
baardkuifhoenders kunt u ook het |
![]() |
Clubstropdas In het kader van haar 20 jarig bestaan heeft de NKBC een mooie stropdas voor haar leden laten maken. Van deze stropdas zijn nog een beperkt aantal beschikbaar. Deze collectors item kost slechts € 12,00, exclusief portkosten (= € 1,76). Deze stropdas is bestellen bij de secretaris van de NKBC (info@kuifhoenderclub.nl). |
![]() |
Stickers De NKBC heeft stickers
uitgebracht waarop het clublogo staat. Deze stickers zijn verkrijgbaar
voor De stickers zijn te bestellen bij de secretaris van de NKBC (info@kuifhoenderclub.nl) |