Verzorging van kuifhoenders  

Hoe zeldzaam zijn onze clubrassen

Hersenbreuk bij kuifhoenders   

Het model van de kuif bij kuifhoenders

Wit-zwartkuif Hollandse Kuifhoenders

Slimme Kuifhoenders

Informatie boek

Verzorging van kuif- en baardkuifhoenders

Bij het zien van kuif- of baardkuifhoenders in een tentoonstellingskooi, wordt vaak de vraag gesteld of deze dieren met hun fraaie kuiven altijd apart in een kooi blijven zitten. Deze gedachte is natuurlijk geheel onjuist. Een kuifhoen wordt net als alle andere kippen, gewoon met meerdere in een kippenhok gehouden.
De kuif- en baardkuifhoenders zijn bijzonder geschikt om als sporthoen te worden gehouden. De fraaie kuiven die ze meedragen, hoeven echt geen belemmering te zijn. De witte kuifveren van de Hollandse witkuiven zijn minder stug dan die van de baardkuifhoenders. Deze kuiven zijn wat vaster en steviger en worden daardoor niet zo gauw vuil. Men moet wel zorgen, dat het hok goed droog en luchtig is, dit geldt ook voor de bodembedekking. Wel kunnen we ze, en vooral de baardkuiven in een open ren of in de tuin laten lopen. Dit doet geen kwaad voor de kuiven. Ook strenge koude verdragen ze even goed als alle andere hoenderrassen. Doordat geen kammen en bij de baardkuifhoenders ook geen lellen aanwezig zijn, kunnen deze niet bevriezen, wat bij hoenders nog wel eens voorkomt (insmeren met vaseline.) Het geeft zelfs een fraaie aanblik om wat kuifhoenders of b.v. gezoomde baardkuifhoenders in de tuin of op het erf te zien rondscharrelen. Het voordeel van loslopende kippen is, dat de bevruchting vaak heel goed is, ze weten daar groen en dierlijk voedsel te vinden dat ze als aanvulling het meest nodig hebben. Voor grote hoenders is het aan te bevelen vrij vroeg in het voorjaar te broeden, voor krielen mag het wel iets later zijn.
Tijdens de fok, of liever gezegd na het tentoonstellingsseizoen, knippen we wat veren rond de ogen weg zodat de dieren goed kunnen zien en het zonlicht ook op de oogzenuw kan schijnen en het netvlies kan treffen. Sommige fokkers knippen de gehele kuif weg, wat natuurlijk wel goed is, maar niet zo'n fraaie aanblik geeft, want we missen het mooie van het kuifhoen. Zoals we reeds eerder vermeldden, zorgen we vooral voor een luchtig hok. Het meest aan te bevelen is een z.g. open fronthok, met een mestplank en zitstok achterin.
Kleine nachthokjes zien er wel mooi uit, maar 's winters zijn ze vaak vochtig en 's zomers erg warm, hierdoor ontstaat gemakkelijk luisvorming. Er bestaan meerdere soorten luizen en mijten. Bij kuifhoenders is de kuif de plaats waar luizen of ongedierte zich graag ophouden en voortplanten. Ook de staartpartij en het onderdons zijn geliefde broedplaatsen. Regelmatig dienen we dus de kuiven te controleren op aanwezigheid van z.g. medebewoners. Er zijn meerdere bestrijdingsmiddelen in de handel en een goede dierenspeciaalzaak zal zeker een juist middel aanbevelen. Ook kan men de kuiven met een goede zeep wassen.
Wanneer we als bodembedekking strooisel in het hok gebruiken, dan dienen we wel een bak of ruimte vrij te houden voor een droge zandbak. De kippen hebben er veel behoefte aan om regelmatig een stofbad te nemen. Ook droog zand b.v. metselzand als bedekking, is heel goed. Het is ons bekend, dat kuifhoenfokkers deze methode meer dan 50 jaar met succes toepassen.
Als waterbak gebruiken we voor kuifhoenders die bakken, die bij het drinken weinig knoeien, waar de kuiven dus niet in blijven hangen. Wanneer dit wel gebeurt, worden ze nat, daarna gaan ze in de voerbak of in het strooisel pikken, met als resultaat een vieze klonterige massa aan de kuifveren, hetgeen lastig voor het dier is en een lelijk gezicht voor de bezoeker. Ook kan het tot gevolg hebben, dat de ogen ontstoken raken: de kleine veertjes rondom de ogen gaan met het vuil in de ogen zitten. Het beste advies is om de zgn. fonteinbakjes te gebruiken (met een tuitje eraan), die van plastic of zink gemaakt kunnen worden. Ze moeten goed schoongemaakt kunnen worden, wat wel meer aandacht vraagt. Gewone plastic drinktorens voldoen ook goed.
Hetgeen we over de drinkbakken schrijven, geldt ook voor de voederbakken. Deze dienen zo te zijn, dat voorkomen moet worden, dat de hele kuif er in hangt. We kennen het voeder zowel in meel dan wel in korrelvorm. Korrelvoer is gemakkelijker te voeren, het knoeit niet, maar het nadeel is, dat sommige dieren snel en veel eten, zich dan vervelen en gaan verenpikken. Een geliefde plaats is de kuif, en eenmaal gedaan, komt er nooit een eind. Het is een zeer vervelende en slechte gewoonte.
Bij het nuttigen van meelvoer hebben de dieren veel meer tijd nodig om voldoende te eten, ze pikken bijna de hele dag. De kans op vuil worden van kuif of baard is wel iets groter, echter bij de meeste valt het erg mee. Ook wat graan en groenvoer is, net als bij alle kippen, aan te bevelen.
De kuif- en baardkuifhoenders zijn vlijtige en erg prettige gezelschapskippen en wanneer men de bovenstaande regels in acht neemt, zal het spoedig duidelijk worden waarom de kuif- en baardkuifhoenders in staat zijn fokkers jaren aan zich te binden.

Naar boven

HOE ZELDZAAM ZIJN ONZE CLUBRASSEN?

In de afgelopen jaren is meerdere malen onderzoek gedaan naar de situatie bij de Nederlandse kleindierrassen. Daarin ging het onder meer om de cultuurhistorische en genetische waarde, maar ook om een inventarisatie van de zeldzaamheid van onze rassen. Daarbij is ook een nader inzicht verkregen in de situatie bij de kleurslagen van de kuifhoenders en baardkuifhoenders. De diverse artikelen, die onder meer - wat hoenders betreft - zijn geschreven door Ad Boks, Hans Ringnalda en ondergetekende, zullen ook in boekvorm verschijnen.

In dit artikel wordt ingegaan op de situatie bij onze clubrassen.

De achtergrond en het belang van het onderzoek

Het eerste onderzoek is al medio 2001 gestart met een enquête onder alle speciaalclubs van Nederlandse kleindierrassen; hoenders, duiven, konijnen en watervogels. Het heeft enige tijd gekost, maar uiteindelijk heeft bijna elke speciaalclub aan het onderzoek meegewerkt. Dat was ook belangrijk, want de informatie is ook gebruikt door de Nederlandse overheid om een databestand aan te leggen van alle rassen. Dat databestand wordt weer gebruikt om beleid te maken aangaande onze zeldzame huisdierrassen. Ook de kleine huisdierrassen – en de hobbyfokkers, zoals u – krijgen langzamerhand de waardering die ze verdienen!
Bij het onderzoek werd gevraagd naar het aantal fokdieren per kleurslag; het aantal vrouwelijke fokdieren, het aantal mannelijke fokdieren én het aantal fokkers dat een bepaalde kleurslag fokt. Wat betreft NKBC konden wij voortborduren op een eerdere enquête onder de leden in 2000. Ook geeft de ledenlijst en ons inzicht in het ledenbestand een beeld van genoemde aantallen. Vanzelfsprekend blijft altijd sprake van een schatting, maar ons inziens is sprake van een realistische benadering. Onderstaande cijfers zijn gebaseerd op de situatie in 2005.

De situatie bij de grote hoenders
Deze situatie kan als volgt worden weergegeven.

Kuifhoenders

Kleurslag

Totaal aantal fokdieren

Vrouwelijke fokdieren

Mannelijke fokdieren

Aantal fokkers

Zwart witkuif

52

40

12

5

Witte witkuif

25

20

5

3

Blauwe witkuif

8

5

3

2

Koekoek witkuif

14

10

4

2

Zwartbonte witkuif

14

10

4

2

Witte zwartkuif

47

40

7

2

Totaal

160

125

35

10

Overigens zijn officieel ook de geelwitgezoomde kuifhoenders erkend, alsmede de éénkleurigen in zwart, blauw en koekoek. De eenkleurige blauwe en zwarte kuifhoenders zien we een enkele keer op een tentoonstelling.
Ook bestaan de kuifhoenders in krulveer. Daarmede is bij de telling geen aparte rekening gehouden. De situatie bij de grote baardkuifhoenders kan op dezelfde wijze worden weergegeven.

 Baardkuifhoenders

Kleurslag

Totaal aantal fokdieren

Vrouwelijke fokdieren

Mannelijke fokdieren

Aantal fokkers

Zwart

19

15

4

3

Wit

30

20

10

3

Blauw

7

5

2

2

Koekoek

7

5

2

2

Zilverzwartgez.

14

10

4

3

Goudzwartgez.

14

10

4

3

Geelwitgezoomd

14

10

4

3

Driekleurig bont

14

10

4

1

Totaal

105

75

30

8

(Noot: aangezien de driekleurig bonte nog niet erkend is, is deze kleurslag niet in de totaaltelling opgenomen)

Uit bovenstaand gegevens blijkt dat onze grote (baard-)kuifhoenders tot de zeer zeldzame rassen behoren, zowel wat betreft aantal dieren, als wat betreft aantal fokkers. Beseft dient te worden dat een bepaald ras door de Wereldvoedselorganisatie als bedreigd wordt beschouwd als er minder dan 1000 fokdieren zijn. Helaas zitten onze clubrassen daar ver onder!
Deze cijfers bevestigen eens te meer dat de grote hoenders meer aandacht behoeven, in het bijzonder de koekoek kleur, zowel bij de kuif- als baardkuifhoenders. Ook de zwartbonte witkuiven verdienen meer aandacht. Vooral de gezoomde variëteiten bij de baardkuifhoenders zijn zeer zeldzaam. De driekleurig bonten zijn nog niet erkend, maar wel aanwezig in Nederland.

Uit een eerder onderzoek, waarbij is gekeken naar het aantal inzenders op tentoonstellingen, blijkt dat het aantal fokkers van onze grote rassen in ruim 20 jaar tijd is gehalveerd.

Hoenderras

Showseizoen 1979

Showseizoen 1985

Enquete 2001

Hollands Kuifhoen

23

18

10

Baardkuifhoen

15

14

8

Weliswaar zijn de eerdere onderzoeken en het huidige onderzoek niet vergelijkbaar, maar de teneur is zorgwekkend genoeg.

Situatie bij de dwerghoenders

De situatie bij de dwerghoenders is wat rooskleuriger dan bij de grote hoenders. Dat blijkt uit onderstaande tabellen.

Kuifhoenkrielen

Kleurslag

Totaal aantal fokdieren

Vrouwelijke fokdieren

Mannelijke fokdieren

Aantal fokkers

Zwart witkuif

105

80

25

15

Witte witkuif

30

20

10

3

Blauwe witkuif

14

10

4

3

Koekoek witkuif

14

10

4

3

Zwartbonte witkuif

14

10

4

2

Witte zwartkuif

13

10

3

1

Buff witkuif

14

10

4

2

Totaal

200

150

50

20

De afgelopen jaren hebben we gelukkig weer een stijging van het aantal kleurslagen op de tentoonstellingen gezien, zoals zwartbonte, blauwe en koekoek witkuiven. Toch zijn deze kleurslagen slechts in handen van weinig fokkers. De witte zwartkuiven zijn erkend in het afgelopen jaar. De buff witkuiven wachten nog op een officiële erkenning (en zijn dus ook niet in de totaaltelling meegenomen).

Baardkuifhoenkrielen

Kleurslag

Totaal aantal fokdieren

Vrouwelijke fokdieren

Mannelijke fokdieren

Aantal fokkers

Zwart

20

15

5

3

Wit

14

10

4

3

Blauw

14

10

4

2

Koekoek

13

10

3

2

Zilverzwartgez.

21

15

6

5

Goudzwartgez.

21

15

6

5

Geelwitgezoomd

62

50

12

10

Totaal

165

125

40

15

De afgelopen jaren hebben we weer een toenemende belangstelling gezien voor de gezoomde baardkuifkrielen. De geelwitgezoomden zijn al jaren de meest populaire kleurslag, maar de goudzwartgezoomden en zilverzwartgezoomden kruipen langzaam weer uit het dal. Koekoek en blauw blijven moeilijke kleurslagen en kunnen in het bijzonder meer fokkers gebruiken.

Hoe kunnen we de belangstelling vergroten?
Belangrijk is dat we niet alleen liefhebbers weten te mobiliseren, maar ook potentiële fokkers. Daarbij zullen we dan ook rekening moeten houden met maatschappelijke ontwikkelingen, zoals kleinere behuizingen (en vooral tuinen), toenemende vrije tijd en afnemende tolerantie met betrekking tot geluidsoverlast e.d.. In dat opzicht zullen andersoortige faciliteiten moeten worden gecreëerd waar mensen hun liefhebberij kunnen uitoefenen, zoals kleinveetuinen zoals we deze in Duitsland aantreffen waardoor burenproblemen worden voorkomen. Voor de promotie van de rassen zouden er fokkerscentra kunnen worden opgericht waar systematisch met onze Nederlandse rassen wordt gefokt. Voor de promotie van de rassen kan worden gedacht aan kinderboerderijen. Voor de instandhouding van de rassen spelen deze een minder grote rol omdat de deskundigheid voor de fok op tentoonstellingskenmerken daar vaak ontbreekt.
Als bestuur en leden van de NKBC kunnen we meer belangstelling voor onze clubrassen wekken door positieve reclame, vooral buiten de bekende fokkersbladen om. Te denken valt aan een promotiebrief naar alle erkende kinderboerderijen, acte de présence op jaarmarkten en artikelen in zogenoemde lifestyle bladen als Landleven en Seasons. Als daar positief op gereageerd wordt moeten we wel aan de vraag kunnen voldoen!

Ook uw suggesties zijn meer dan welkom! Het bestuur ontvangt ze graag.

Luuk Hans

Naar boven

 

HERSENBREUK BIJ KUIFHOENDERS

Onderstaand stuk is een vertaling van een artikel in het clubblad van de Australische kuifhoenderclub, getiteld "Cerebral Hernia", geschreven door Peter Jones.

Ikzelf heb ook elk jaar wel enkele kuikens die de onderstaande symptomen ("draainekken") vertonen en dan met hun kop over de grond kruipen. Meestal zet ik de kuikens dan één of twee dagen apart. Als ze dan niet uit zichzelf herstellen help ik ze uit hun lijden. Herstel op eigen kracht komt voor, hoewel ik niet over de lange termijn effecten kan oordelen .De NKBC is geïnteresseerd in uw ervaringen met deze kwaal en uw oplossingen. Graag uw reacties naar info@kuifhoenderclub.nl

Hoenderfokkers hebben nog wel eens melding gemaakt van situaties die typisch zijn voor hoenders met kuiven. Het begin van de situatie wordt beschreven als het schudden of draaien van de kop, dat kan uitmonden in een situatie waarbij het dier de kop extreem draait. In enkele gevallen verliest de kip zijn evenwicht en zelfs volledige mobiliteit. Dit wordt gewoonlijk hersenbreuk (cerebral hernia) genoemd. Het Victoriaanse Instituut voor Dierwetenschappen in Australië heeft jarenlang onderzoek verricht op dode kuifhoenders en zijdehoenders en heeft het bestaan bevestigd van een afwijking die verband houdt met het gen dat verantwoordelijk is voor de dominantie van de kuif(knobbel). De schedel van de kuifhoenders is uniek. In tegenstelling tot andere hoenders is het koepelvormig en bij zeer zwaar gekuifde hoenders is de schedel onderontwikkeld. Net als de fontanel van baby's heeft de schedel van kuifhoenders openingen. Normaal gesproken zullen deze dichtgroeien. Echter, dit gebeurt niet altijd en het gevolg daarvan is dat de hersenen kwetsbaar zijn en blijven voor externe omstandigheden.
Sommige foklijnen zijn kwetsbaarder dan andere. Ook komt het minder voor bij oude dieren die de tijd hebben gekregen om de schedel aaneen te laten groeien. Veelal komt het voor bij jonge dieren tussen 1 en 4 maanden oud.

Symptomen en mogelijke oorzaken

Er zijn verschillende oorzaken en omstandigheden die de onderstaande symptomen kunnen vertonen.
Hersentrauma of hersenbeschadiging kan feitelijk kuikens van elk ras overkomen. Dit kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van pikken in de kop. Bij kuifhoenders hebben dergelijke situaties meer gevolgen. De druk op de hersenen kan leiden tot een "breuk", opzwellen of doorsijpelen van de hersenen in de schedel.
Hersenoedeem of -gezwel is een interne reactie en kan op tenminste twee manieren plaatsvinden. In de eerste plaats als een reactie op warm weer en veranderingen, een overvloed aan vocht bouwt zich op in de hersenpan, hetgeen leidt tot teveel druk op die delen van de hersenen die verantwoordelijk zijn voor de bewegingen van de kip. Het kuifhoen wordt duizelig en verliest zijn gevoel voor evenwicht. Indien het dier niet behandeld wordt kan dit tot blijvend hersenletsel leiden. Soms herstellen dieren van zo’n situatie en leven redelijk normaal verder met een kleine "tik" in de kop (schudden van de kop). In de tweede plaats kunnen deze symptomen zich voordoen met ademhalingsmoeilijkheden. Het afweersysteem (immuunsysteem) van de kip reageert dan op een aanval van bacteriën of een virus door het aanmaken van vocht in de hersenen met dezelfde gevolgen als boven beschreven.

Behandeling

Voorkomen is beter dan genezen. Door een goede huisvesting en goede verzorging (en vaccinatie) kan worden voorkomen dat bacteriën en virussen hun kans krijgen, met bovengenoemde gevolgen als resultaat. Ook kan bij het fokken door selectie hersenbreuk worden beperkt. Goede klimaatbeheersing bij extreme weersomstandigheden kan tot op zekere hoogte preventief werken. Ook kan worden voorkomen dat de kuifhoenders hun koppen bezeren aan scherpe voorwerpen in het hok, bijvoorbeeld, zitstokken, voerbakken en dergelijke.
Genezing is niet gegarandeerd. In Australië heeft een dierenarts positieve resultaten bereikt met inentingen met cortisonen. In dit geval nam de zwelling in de schedel af en herstelde de kip.
Australische fokkers hebben ervaren dat het toedienen van een antibiotica middel goede resultaten kan geven.
Het probleem is dat men zonder een onderzoek naar de doodsoorzaak, dus achteraf, geen symptomen kan vinden. Hoe langer een kuifhoen onbehandeld blijft hoe moeilijker het zal zijn om herstel te bewerkstelligen. Gelukkig komt het probleem niet te vaak voor.
Door het fokken van redelijk grote aantallen, het fokken in lijnenteelt en niet te veel toepassing van inteelt, alsmede het bieden van goede huisvesting en verzorging kan dit probleem in belangrijke mate worden voorkomen. Elk hoenderras heeft zijn moeilijkheden. Bij kuifhoenders is dit er één van.

(vertaald door) Luuk Hans.

Naar boven

HET MODEL VAN DE KUIF BIJ ONZE KUIFHOENDERS

Door het aanwezig zijn van een grote kuif kan het zicht van de kuifhoenders belemmerd worden, hetgeen wij uiteraard niet wensen. In de afgelopen decennia werden door de fokkers de kuiven sluipenderwijs steeds groter gefokt, daarbij aangemoedigd door de predikaten die men daarvoor kreeg tijdens tentoonstellingen. Ook werden de kuiven losser van structuur, hetgeen de kuif en de zichtvrijheid niet ten goede kwamen.
Bij sommige dieren was het maximale inmiddels gepasseerd en dus moesten er duidelijke afspraken komen over wat wel en wat niet toelaatbaar is. De fokkers van de Nederlandse kuifhoender rassen zelf waren de eersten die beseffen dat nadere afspraken nodig waren. Immers, zij zijn terecht trots op onze eeuwenoude Nederlandse cultuurrassen en wensen deze mooie kuifhoenders en baardkuifhoenders een goed en gezond bestaan, rekening houdend met hun kuiven en baarden.
De Nederlandse Kuif- en Baardkuifhoenderclub (NKBC) heeft de afgelopen jaren de regels aangaande een aantal aspecten wat betreft kuif en zichtvrijheid van haar clubrassen aangescherpt, hetgeen ook in de rasbeschrijving van de Nederlandse Hoender en Dwerghoender bond (NHDB) is overgenomen.
Drie zaken zijn daarbij van belang:

De grootte en vorm van de kuif

Over de grootte van de kuif is vastgesteld dat deze nog altijd groot, vol en dichtbevederd moet zijn, maar wel in goede verhouding tot het lichaam, waarbij vooropgesteld dient te worden dat het zicht niet mag worden belemmerd. Daarmee wordt bedoeld dat de dieren vrij kunnen kijken naar opzij en naar voren. (Dit moeten we op ooghoogte bekijken.) Op zich niets nieuws, want ze zijn altijd al zodanig getekend en beschreven, maar er is wellicht iets minder streng op gefokt de voorbije jaren, terwijl ook bij het keuren daaraan onvoldoende kritische aandacht is besteed. Om één en ander te verduidelijken heb ik een aantal schetsen gemaakt. In tekeningen 1 t/m 4 zien we de ideale kuifvorm bij resp. de hen en haan van de Hollandse Kuifhoenders, en de hen en de haan van de Nederlandse Baardkuifhoenders. In de figuur is ook de skeletvorm van de schedel getekend. Er moet op gefokt worden dat de kuifknobbel aan bepaalde voorwaarden voldoet. Deze zijn:
de kuifknobbel moet hoogrond (kokervormig) zijn, waarbij de onder en bovenzijde even breed zijn (zie fig. 1 t/m 4 )

                                     
       fig. 1                         fig.  2                         fig.  3                         fig.  4

Kuifhoenders waarvan de kuifknobbel aan de basis smaller is dienen niet in de foktoom te worden opgenomen het is zeer aannemelijk dat de stelling "hoe hoger de kuifknobbel, hoe beter het zicht" opgaat. Bij een lage knobbel zakt de kuif over de ogen heen en belemmert het zicht (fig. 5).
In die gevallen ontstaan ook vaak ontstoken oogleden.
Alle fokkers van kuifhoenders wordt aangeraden streng te selecteren op de plaatsing van de kuif en vooral dieren met een hoog geplaatste knobbel op te nemen in de foktoom. Daarnaast is een stevige vaste bevedering in de kuif een essentieel onderdeel waarop goed gelet moet worden.In fig. 6 is een ideaal vooraanzicht geschetst. De ogen hebben vrij zicht en de kuif is andermaal ingeplant op een hoge koker vormige schedelknobbel. We zien nogal eens dieren die een erg grote kuif hebben, maar die dat bij nader inzien te danken hebben aan een kuifknobbel die erg breed is. Van voren gezien blijkt dat deze knobbel over de schedel heen groeit. Zie( fig. 7.) Hij zakt als het ware uit. Dit soort kuiven zijn erg goed te herkennen bij een keuring. Door de kuif boven de ogen op te lichten zal men zien dat bij dergelijke dieren "zweet" tussen de huidplooi zit en soms is er al een gelig soort huidsmeer ontstaan dat stinkt. In dat laatste geval is feitelijk sprake van ontstoken oogleden en behoren de hoenders tijdens tentoonstellingen van de keurmeester een "DIS" te krijgen. De kuifknobbel is tijdens het keuren moeilijk te beoordelen. Hier zal men enige ervaring in moeten krijgen.
Voor de fokkers is dat iets anders, want in de kuikenfase is de kuifknobbel goed te beoordelen en extremen kunnen dan al worden geconstateerd. Noteer bijvoorbeeld welke dieren een mooie hoge knobbel hebben en neem deze in het daarop volgende jaar op in de foktoom. (Het is hierbij verstandig om de kuikens een merkteken mee te geven, zoals b.v. een ringetje )
                                        
     fig.  5                                 fig.  6                                fig.  7

Niet meer wegknippen van het gekleurde vederbosje voor de kuif

De kuifvorm bij de Hollandse kuifhoenders wordt ook beïnvloed door het gekleurde vederbosje dat zich voor de kuif bevindt. In onze NHDB-standaard stond tot voor kort dat het "gekleurde vederbosje mag worden weggeknipt". Dit was altijd een vanzelfsprekendheid. Elke fokker deed dit; dus het hoorde zo.
Echter de laatste jaren gingen er binnen de N.K.B.C. steeds meer stemmen op dat het voor het zicht van de dieren beter zou zijn om dit vederbosje niet geheel weg te knippen. De voorste kuifveren hebben namelijk een andere groeirichting en zorgen voor steun aan de kuif. We noemen ze daarom ook wel steunveren van de kuif. Hetzelfde geldt voor de gekleurde veren boven de ogen. Door deze nu weg te knippen is de steun weg en zakt de kuif uit en hangt deze naar voren en opzij. Daardoor wordt het zicht nadelig beïnvloed. Het opvallende is dat in bijvoorbeeld Duitsland en Engeland het wegknippen nooit de gewoonte is geweest. De enige reden waarom Nederlanders dat wel deden was dat de kuif ogenschijnlijk geheel wit leek. De N.K.B.C. had al in 1996 besloten dat men liever zag, dat het vederbosje zou blijven staan, hetgeen de afgelopen jaren ook al door fokkers in praktijk wordt gebracht.

Het conditioneren van de kuif

Ook als er sprake is van een mooie volle kuif , die het dier een goed zicht biedt kan het nodig zijn om de kuif (en baard) enigszins te conditioneren. Er is echter nog wel eens verwarring over hoe de kuif nu te conditioneren, want zo uit het hok, dan hebben de meeste dieren nog veel gekleurde veren hoger op in de kuif. ( zie fig. 8)
Bij het conditioneren van de kuif werken we van achteren naar voren. De enkele zwarte veren in het witte gedeelte van de kuif worden afgeknipt vlak bij de hoofdhuid. (Dit gaat het handigst met een nagelschaartje) Als zo de her en der verspreid staande veren zijn verwijderd moeten we nog wat veren voorin de kuif op dezelfde manier wegknippen - behalve de voorste veren! - zodat een bescheiden gekleurd vederbosje voor in de kuif ontstaat. Werk ook hierbij van achter naar voren. Het aanzicht zal derhalve zo zijn dat we geen half afgeknipte veren zien. De veren die er namelijk voor blijven staan maken de weggeknipte veertjes onzichtbaar. Dit geldt overigens ook voor de gekleurde veren aan de zijkanten boven de oogleden. 
Wat we dus graag willen zien is een gekleurd vederbosje dat er enigszins gerond uitziet. In (fig.9) is het ideaalbeeld geschetst. Overigens zal in de praktijk nog wel eens sprake zijn van ronding met een deukje in het midden, lijkend op een vlinder (zie fig. 10).
                                          
       fig.  8                                fig.  9                               fig.  10

De verwachting is, (nu het vederbosje blijft staan) dat de fokkers daar in de komende jaren ook op zullen fokken. Met andere woorden, dat het gekleurde vederbosje steeds kleiner wordt en er steeds minder geconditioneerd behoeft te worden. De NHDB-standaard is ook op dat onderdeel aangepast, zodanig dat niet meer sprake is van wegknippen, maar van (terughoudend) conditioneren op de hierboven beschreven wijze.
Fokken van (baard-)kuifhoenders met goede vaste kuiven en goed zicht is bovenal van belang voor het welzijn van deze rassen, maar zal ook voor de fokkers minder zorgen met zich meebrengen.
In de NHDB-standaard is een sterk belemmerd zicht bij de ernstige fouten onder gebracht, hetgeen betekent dat dergelijke dieren niet voor hoge predikaten in aanmerking kunnen komen tijdens tentoonstellingen.
Daarmee is een duidelijke grens gesteld. Lastiger is het in andere gevallen om het zicht te beoordelen en goed onder woorden te brengen op de beoordelingskaart. We gaan er van uit dat bovenstaande zowel voor de fokkers als keurmeesters verhelderend zal zijn en eenieder deze aandachtspunten op dezelfde wijze uitlegt.

Tot slot

Dan kan ook een gezonde basis worden gelegd voor een verdere groei van deze mooie Nederlandse hoenderrassen. Want één ding is duidelijk; de Nederlandse kuifhoenders en baardkuifhoenders verdienen veel meer positieve aandacht. Wij mogen met recht trots zijn op deze eeuwenoude Nederlandse cultuurrassen en de fokkers daarvan!

Bron: Uitgaven van N.K.B.C. Kijk Op Zicht.  Tekeningen H. Timmer

Naar boven

 

Wit-zwartkuif Hollandse Kuifhoenders

Het tweede ras dat in 1900 op de lijst van Nederlandse hoenderrassen werd opgenomen was de Hollandse Witkuif. Opvallend is de beperking in de naamgeving tot dieren met een witte kuif. Dieren met een kuifkleur gelijk aan de lichaamskleur, met uitzondering van de witte witkuiven, en de wit-zwartkuiven kwamen in het verhaal niet voor. Dit ondanks het feit dat deze laatste kleurslag reeds in de middeleeuwen in ons land voorkwam.
De wit-zwartkuiven zijn jarenlang omgeven geweest door een waas van geheimzinnigheid en nog is vermoedelijk lang niet alles helder.  In dit verhaal wil ik  proberen enig licht te scheppen in de achtergrond en de fok van deze kleurslag.
Zo gauw je met de beschrijving van deze kleurslag begint, heb je de neiging een verhaal uit het begin van de vorige eeuw, dat door Van Gink is overgenomen van Dewald, zie pagina 290, noot 7, van het proefschrift van Bart Momberg “Houden van Kippen”,  weer te geven. Het verhaal is heel mooi, maar of het waar is?
“Omstreeks het jaar 1475 woonde er in Kennemerland een kluizenaar Peter Jaspersz geheten, die er een groot aantal witte hoenders op na hield met zwarte kuiven. Deze dieren legden veel grote smakelijke eieren, waren gehard tegen ons klimaat en leverden, wat in die dagen van veel belang was, een smakelijk en mals gebraad. Volgens de verhalen zijn deze dieren door een Spaanse edelman opgekocht en meegenomen naar Spanje. Van daaruit zouden ze onder de naam Sint Jacobshoen weer teruggekeerd zijn naar Nederland. De dieren zouden hierbij als gift aan de Nederlandse adel zijn gegeven.” Heel bijzonder: van kluizenaarskip naar kip van de adel.

Kenmerken van het ras

Het type van het Hollands Kuifhoen is het type dat men aantreft bij een landhoen. Het onder­scheid met het landhoen wordt gevormd door de kuif waaraan het ras zijn naam ontleent. Deze kuif is op de kop geplaatst en vindt zijn basis in de knobbel op de kop van het kuifhoen, welke bij de kuikens al duidelijk zichtbaar is. Volgens de voorschriften behoort deze kuif  groot en rond te zijn en recht op de kop te zijn geplaatst. Wat de grootte van de kuif betreft: dit kan men wel realiseren bij de witkuiven, bij de wit zwartkuiven valt dit in de categorie vrijwel of volledig onmogelijk. Een grote zwarte kuif kan niet bestaan omdat dit te veel van de pigmentconcentratie aan het eind van het lichaam vraagt. Hierop wil ik verder in dit verhaal nader ingaan.

Geschiedenis van het ras

Juist door de afwijking van de gangbare hoenderrassen vormden deze kuifhoenders iets exclu­siefs, dat zo ver ging dat dieren met deze verschijningsvorm door de vorst cadeau gedaan zijn aan belangrijke onderdanen en via deze weg over een groter gebied zijn verspreid.
De wit zwartkuif treft men reeds  op zeventiende eeuwse schilderijen van Jan Steen en Albert Cuyp aan. Deze schilders beeldden dieren van deze kleurslag af  en dieren waaruit men ze zou kunnen fokken.
In de loop van de tijd zijn de wit zwartkuiven volledig van het toneel verdwenen. Reeds in 1850 blijkt de situatie voor deze kleurslag kritiek. In een boek uit 1856 van W.C.L. Martin, herschreven door mrs. W. Watts, wordt vermeld dat omstreeks 1835 nog enkele dieren van deze kleurslag in Engeland zijn gezien. Verder is in 1843 een hen in Duitsland en in 1845 een hen van deze kleurslag in Frankrijk waargenomen. Een aantal jaren na de verschijning van dit boek meldt Darwin dat de wit-zwartkuif, die hij als ondersoort van de kuifhoenders aanduidde, was uitgestorven. Dit betekende het einde van een kleurslag, die eeuwenlang in Nederland en vermoedelijk geheel West-Europa aanwezig is geweest.

Terugkeer van de wit zwartkuif

Ondanks het uitsterven van de kleurslag in de negentiende eeuw mag men, gezien het aantal jaren dat deze heeft bestaan, aannemen dat het fokken er van mogelijk was. Alleen blijft natuurlijk de vraag welke eisen men toen aan de kleur stelde.
Neder­landse fokkers zien in het verdwijnen van een ras of kleurslag een uitdaging om het weer terug te fokken. In alfabetische volgorde hebben de volgende fokkers zich met het terugfokken beziggehou­den: A. Hogendijk, R. Houwink, Jac. van Omme en dr. I. Vriesendorp. Van dit viertal slaagden slechts twee fokkers in hun poging namelijk Van Omme en Vriesendorp.
De pogingen van Jac. van Omme zijn beschreven in een artikel in Avicultura van 1943. Evenals bij degenen die geen succes hadden startte hij rond 1910 met zwarte witkuiven met veel zwart in de kuif, witte witkuiven en Houdans. Dit leidde echter niet tot het gewenste resultaat. Eerst de inzet van Lakenvelders en een zilverzwartgeloverde Nederlandse Uilebaard met heel weinig tekening en een zwarte baard leverde begin veertiger jaren het gewenste resultaat. Helaas is deze lijn na het overlijden van de fokker verdwenen.

Tot slot de benadering van dr. I. Vriesendorp.
 
Zijn aanpak is weergegeven in het door hem geschreven boek "Erfelijkheid en Geneeskunde". Ook hij startte rond 1910. Waar anderen jaren nodig hadden slaagde hij in enkele jaren. Hij koos voor twee invalshoeken. de ene bestond uit Nederlandse Baardkuifhoenders met veel zwarte kleurstof. Door gericht te fokken werd er naar gestreefd het zwart in de kuiven te vermeerderen en vast te houden. Voor de ontkleuring van het lichaam werd gebruik gemaakt van een combinatie Lakenvelders en zwarthalzige Andalusiërs. Deze rassen werden onderling gekruist Hieruit ontstond een mengeling aan kleuren waaronder zwarthalzige met lichtgekleurde en zelfs ontkleurde lichamen. Deze dieren werden weer gepaard aan de op kuifkleur geselecteerde Nederlandse Baardkuifhoenders. Blijft natuurlijk de vraag waar deze zwarthalzige Andalusiërs vandaan kwamen of waren dit in de hals zeer zwaar gezoomde blauwe Andalusiërs, die hierdoor een vrijwel zwarte hals hadden.
Uit deze combinatie is het dr. Vriesendorp gelukt, door het fokken op ontkleuring van het lichaam en pigmentvermeerdering in de kuif, na enkele generaties wit zwartkuiven te fokken.
Door enerzijds een controverse tussen dr. Vriesendorp en een aantal bekende fokkers uit die tijd maar vooral tijdgebrek van deze fokker kreeg deze eerste succesvolle poging van hem weinig aandacht. Na de Tweede Wereldoorlog is hij opnieuw gestart en de thans nog aanwezige dieren hebben hun basis in de toen gefokte dieren. Een uitgebreide collectie dieren was door dr. Vriesendorp als demonstratiemateriaal ingezonden tijdens de clubshow van de NHC te Utrecht ter gelegenheid van het zestigjarige bestaan van de club.  Het waren wit- en goud-zwartkuiven met een goede kuifkleur en behoorlijke kuifvorm.

Het standaardideaal en voorkomende fokproblemen.

Alhoewel de Nederlandse pluimveestandaard niet meer de strenge eisen hanteert ten aanzien van de scheiding wit zwart en enig zwart in bovenhals is toegestaan blijft het voor de fokkers moeilijk het zwart en wit op de juist plaats te houden. Voor je het weet zit er wit in de kuif of zwart op het lichaam.
Gelukkig is ondertussen ook de donskleur aangepast. Werd deze in het verleden wit gewenst, thans is deze in onze standaard  licht blauwgrijze donskleur, evenals bij de Lakenvelder, voorgeschreven.
Bij de beoordeling van een vertegenwoordiger van deze kleurslag zal steeds de afweging moeten worden gemaakt: Wat is erger enige zwarte kleurspatten op het lichaam of wit in de kuif. Vanuit foktechnisch oogpunt verdient de eerste afwijking van de standaard de voorkeur aangezien dit wijst op voldoende zwart pigment, dat nodig is voor de goede kuifkleur. Wit in de kuif wijst op het einde van het verhaal.
Opvallend is dat in onze standaardbeschrijving maar ook op de afbeeldingen geen onderscheid wordt gemaakt in kuifgrootte  bij de witkuiven en de wit zwartkuiven. Dit is echter een eis waaraan tot op heden niet en vermoedelijk nooit kan worden voldaan. Wat is er namelijk aan de hand. Bij de wit zwartkuif wordt een concentratie van zwart pigment gevraagd in de kuif, met andere woorden aan het uiteinde van het lichaam en dan ook nog geconcentreerd op een kuifknobbel. Hoe groter de kuifknobbel, hoe meer pigment moet worden aangevoerd. Deze aanvoermogelijkheid bepaalt de omvang van de kuif, die we intensief zwart van kleur wensen. Om deze reden mag men bij de wit zwartkuif nimmer een kuif verwachten van de omvang, zoals men die kan aantreffen bij de zwart witkuif. Bij deze kleurslag behoeft immers geen pigment te worden aangevoerd. Een goed gevormde zwarte kuif van niet te grote omvang zal bij de wit zwartkuif het ideaalbeeld blijven bepalen.
Het geheel overziende kan men stellen, dat de wit zwartkuif foktechnisch een donker dier is. Het beste wat men kan bereiken is een dier, dat zich als wit presenteert, maar de aanwezigheid van zwart pigment laat zien in dons en kuif. Bij oude dieren maar ook bij jonge dieren met een gitzwarte kuif treft men vaak zwarte tekening in de witte velden, met name op de rug, aan, dat wil zeggen doorslaan van de donskleur. Een dier met de gewenste raskenmerken bereikt op de tentoonstelling echter niet de top door het te exposeren, maar met name door vakkundig conditioneren. Hoe zien de meeste top Lakenvelders er voor de show in het hok uit??
Ten aanzien van de fok van deze kleurslag wil ik nog een paar opmerkingen maken. Gebruik geen dieren met een blauwe kuif. Fokken met dergelijke dieren levert alleen maar teleurstellingen op. Het pigmentverlies bij dergelijke dieren is te groot. Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor wit witkuiven die uit de wit zwartkuiven vallen. Opvallend is echter dat fokkers van witte Uilebaarden, die werken met afstammelingen van moorkop Uilebaarden, soms toch weer moorkoppen te voorschijn zien komen. Het is echter niet uitgesloten dat onder de oorspronkelijk witte Nederlandse Uilebaarden fokonzuivere witte dieren aanwezig zijn, waarbij een zilver- of zwartfactor verstopt zit.

Wit zwartkuif Hollandse kuifhoen krielen

Sinds 2003 zijn ook de wit zwartkuif krielen erkend. Deze zijn gefokt door de secretaris van de Nederlandse Kuif- en Baardkuifhoender Club, Luuk Hans. Hij is begonnen met een klein gebleven grote wit zwartkuif, welke hij heeft gekruist met zwarte en blauwe Nederlandse Baardkuifhoen krielen. Door selectie is hij na een aantal jaren er in geslaagd krielen in deze kleurslag in de kooi te brengen, die de toets der kritiek konden doorstaan. Bij deze krielen loopt men bij de fok tegen dezelfde problemen aan als bij de grote wit zwartkuiven. Alleen vragen ze minder plaatsruimte.

Nabeschouwing

Momenteel zijn zowel grote als dwerg wit zwartkuiven in ons land en ook in Duitsland aanwezig. Voor degenen die met dit ras willen starten is er vermoedelijk wel aan fokmateriaal te komen. Alleen moet men zich realiseren dat het geen eenvoudige kleurslag is. Dit houdt in dat u jaarlijks veel jonge dieren moet fokken om voor de show geschikte dieren te kunnen presenteren. Dit is vermoedelijk ook de reden geweest dat veel fokkers van deze kleurslag zijn afgehaakt. De vraag is nu: Wie durft de uitdaging aan en wil met de wit zwartkuiven beginnen? Gezien de historie en het kleurpatroon is het ras de uitdaging waard. Wie er mee begint en succes boekt heeft een unieke kip in het hok.

Nadere informatie kunt u krijgen bij de penningmeester van de Nederlandse Kuif- en Baardkuifhoender Club: L. Hans, Edeseweg 40, 6721 JX Bennekom, tel. 0318-419032; e-mail: luuk.hans@planet.nl

 

Ad Boks, 23 juli 2003

Naar boven

Slimme Kuifhoenders

In 2002 heeft prof.dr. G. Rehkämper tijdens de jaarvergadering van de Nederlandse Kuif- en Baardkuifhoenderclub een presentatie gehouden over het wetenschappelijke hoenderpark,dat onlangs in Duitsland was opgericht en verteld dat kuifhoenders grotere hersenen hebben dan andere hoenders. 
Daarover is een artikel in het Engels verschenen: Discontinuous Variability of Brain Composition among Domestic Chicken Breeds. Een artikel met een zeer hoog wetenschappelijk gehalte, maar in onderstaand stuk zal ik daar een korte samenvatting van geven.
In de afgelopen jaren heeft er aan de Universiteit van Düsseldorf een onderzoek plaatsgevonden naar de hersenen bij een aantal hoenderrassen. Doel was om na te gaan of domesticatie (tam maken van wilde rassen) leidt tot variatie binnen soorten (species) en uiteindelijk tot nieuwe soorten. Binnen een soort, zoals de gedomesticeerde hoenders, is weer sprake van verschillende (tientallen) rassen. Om een grote variatie van de hersenen te krijgen werden meerdere rassen gebruikt die zeer verschillend zijn. 
Het hersenonderzoek vond plaats met Chabokrielen, Cochinkrielen, Zijdehoenders, Araucana’s, Maleiers, Leghorns, zwarte Witkuiven en Kraaikoppen. Van elk ras werden zo’n 10 kippen voor het onderzoek gebruikt. Het onderzoek vond plaats met de hersenen omdat deze voor een zeer belangrijk deel het gedrag bepalen. Daarbij komt dat er een grote relatie bestaat tussen veranderingen in de hersenomvang en samenstelling en processen die van belang zijn voor de evolutie, zoals aanpassing aan gewijzigde omstandigheden. Een onderzoek van de hersenen brengt weer zo zijn eigen problemen met zich mee, maar daar zullen we maar niet op ingaan. 
Kort en goed, er is een zogenoemd clusteronderzoek gedaan, waarbij ook rekening werd gehouden met de grootte en het gewicht van de hoenders. In het onderzoek sprongen de kuifhoenders (vaak tesamen met de Kraaikoppen!) eruit als een homogene groep. Sterker nog, de hersenen van de kuifhoenders bleken groter dan die van de andere rassen. Dit past bij het beeld dat reeds door Darwin (1868) werd opgetekend. De kuifhoenders hebben een bijzondere schedel met een ophoging die “gevuld” is met hersens. 
Uit eerdere onderzoeken blijkt ook dat de hersenen van kuifhoenders groter zijn, vooral die onderdelen die cognitieve mogelijkheden hebben. Anders gezegd, die hersenonderdelen die tot leren in staat zijn. 
Of dat echt zo is is nog niet aangetoond. In eerdere onderzoeken werd het gedrag van kuifhoenders bijzonder genoemd. Zonder dat daarbij werd aangegeven wat daarmee werd bedoeld. In een onderzoek uit 1975 werd geschreven dat kuifhoenders slecht reageerden, slecht leerden en zenuwachtig en paniekerig waren. Dit werd weersproken in een eerder onderzoek (in 1959); nadat de onderzoeker de kuif had afgeknipt reageerden ze normaal en waren ze volgens de onderzoeker levendig en vol mentale energie.
Naar Kraaikoppen is nooit uitgebreider onderzoek gedaan, maar duidelijk is dat ze tot dezelfde familie behoren als kuifhoenders. Hoe dan ook, kuifhoenders en kraaikoppen springen er duidelijk uit in het onderzoek van prof.dr. Rehkämper. Een nader onderzoek zal plaatsvinden naar het gedrag van deze rassen.
Voor ons is het al veel langer duidelijk dat we te maken hebben met bijzondere rassen. Slim of dom, bijzonder zijn ze!

Luuk Hans

 

Naar boven

Informatieboek Nederlandse Kuif- en Baardkuifhoenders.

Indien u meer wilt weten over de kuif- en baardkuifhoenders kunt u ook het 
boekje 'Nederlandse Kuif- en Baardkuifhoenders' bestellen bij de NKBC. 
In dit boekje wordt ingegaan op alle belangrijke aspecten van het houden 
en verzorgen van genomede hoenders. Het boekje is ruim 60 bladzijden dik 
en geïllustreerd met vele mooie kleurenfoto's van kuifhoenders en baardkuifhoenders.
Het boekje kost  € 10,00 exclusief portokosten (= 1,76) en is te bestellen bij de 
secretaris van de NKBC (info@kuifhoenderclub.nl).

Clubstropdas

In het kader van haar 20 jarig bestaan heeft de NKBC een mooie stropdas voor haar leden laten maken. Van deze stropdas zijn nog een beperkt aantal beschikbaar. Deze collectors item kost slechts 12,00, exclusief portkosten (= 1,76).

Deze stropdas is bestellen bij de secretaris van de NKBC (info@kuifhoenderclub.nl).

Stickers

De NKBC heeft stickers uitgebracht waarop het clublogo staat. Deze stickers zijn verkrijgbaar voor
€ 1,00 per stuk, exclusief porto kosten ( € 0,44 ).

De stickers zijn te bestellen bij de secretaris van de NKBC (info@kuifhoenderclub.nl)

Naar boven